Definition
▶
voor
Het woord 'voor' betekent in deze context 'ten behoeve van' of 'in plaats van'.
The word 'voor' means in this context 'on behalf of' or 'in place of'.
▶
Ik heb een cadeau gekocht voor mijn vriend.
I bought a gift for my friend.
▶
Dit document is voor de vergadering van morgen.
This document is for tomorrow's meeting.
▶
Ze doet het voor haar kinderen.
She does it for her children.